Reglement betreffende de vrijwillige disponibiliteit voorafgaand aan de pensionering
ARTIKEL 1 De statutaire leden van het personeel, met uitzondering van het onderwijzend personeel, in vast verband benoemd, die in dienstactiviteit zijn, kunnen een in disponibiliteitstelling aanvragen, voorafgaand aan de oppensioenstelling, indien zij de leeftijd van 58 jaar bereikt hebben of zullen bereiken. Par. 1 De disponibiliteit voorafgaand aan de pensionering kan aanvangen : Par. 3 Worden uitgesloten van het voordeel van huidig reglement : Onder voorbehoud van Hoofdstuk XV van het arbeidsreglement “Politiek inzake alcoholgebruik en gebruik van andere substanties die een invloed hebben op het gedrag” kan een afwijking aan de vereiste anciënniteit kan toegekend worden door het College van Burgemeester en Schepenen en op advies van de arbeidsgeneesheer aan de agenten die lijden aan recidiverende gezondheidsproblemen of verslaafdheid EN die een functie uitoefenen waarvan de aard en/of de uitvoeringsvoorwaarden op zekere wijze een gevaar kunnen inhouden voor de werknemer en/of derden. - de beambten die tijdens de vijf jaar, voorafgaand aan de dag van aanvraag van in disponibiliteitstelling voorafgaandelijk aan de pensionering meer dan zes maanden (180 dagen) verlof voor medische redenen of gebrek tellen. Een ziekteverlof voor chirurgische ingrepen of ongeneeslijke ziekten kan door het College van Burgemeester en Schepenen, mits motivatie van een bedrijfsarts, als afwijking worden aanvaard. Par. 1 Het personeelslid in disponibiliteit voorafgaand aan de pensionering geniet een wachtgeld gelijk aan 75 % van zijn laatste activiteitswedde. Par. 2 Het vakantiegeld, evenals de eindejaarstoelage van het personeelslid in disponibiliteit voorafgaand de pensionering zullen eveneens in evenredige mate worden verminderd. Par. 3 Het wachtgeld, berekend overeenkomstig par. 1 mag niet minder bedragen dan het gewaarborgd minimum rustpensioenbedrag wegens leeftijd of anciënniteit van een personeelslid dat de leeftijd van 60 jaar bereikte, zoals bepaald krachtens de wet van 26 juni 1992 houdende sociale en diverse bepalingen. Par. 2 Voor de vaststelling van de gemiddelde wedde op grond waarvan het rustpensioen berekend wordt, toegekend in overeenstemming met de wet van 15 mei 1984, houdende maatregelen tot harmonisering in de pensioenregelingen, wordt voor de periode gedurende dewelke het personeelslid genoten heeft van de in disponibiliteitstelling voorafgaand de pensionering rekening gehouden over de 5 laatste jaren met de wedden inbegrepen de baremaverhogingen die hij zou genoten hebben bij effectieve dienstactiviteit. Indien hij acht dat de aanvraag niet overeenstemt met de eisen van de goede werking van de dienst, zal hij aan het College van Burgemeester en Schepenen voorstellen de in disponibiliteitstelling voorafgaand aan de pensionering uit te stellen met termijnen, die samen één jaar niet mogen overschrijden. Iedere beslissing van de bevoegde overheid wordt aan het personeelslid betekend binnen de dertig dagen te rekenen vanaf het indienen van de aanvraag. Par. 4 Het personeelslid dat vrijwillig in disponibiliteit treedt voorafgaand aan de pensionering maakt een plaats vrij in het personeelskader. Het Schepencollege zal beslissen over de directe vervanging van de belanghebbende of vervanging op het ogenblik van zijn eigenlijke oppensioenstelling. Vanaf het openvallen van een vacante betrekking zal in een mogelijke bevordering worden voorzien. Par. 5 De aanvraag, bedoeld in par. 1 maakt tevens een pensioenaanvraag uit in uitvoering van art. 51 van de wet van 15 mei 1984, houdende harmonisering van pensioenregelingen. Het huidig reglement is van toepassing van 1 januari 2012 tot 31 december 2012. |